Teelt
Na twee zeer stres volle weken heb ik weer vier vakken, hoop ik, ‘voor goed’ afgerond.
Naast het excretie systeem & de zuur-base balans, farmacologie en infectiebiologie & immunologie, waarvan
de relevantie al vrij snel duidelijk werd, heb ik ook het vak Teelt gevolgd. Omdat dit vak niet eenduidig kan
worden omschreven en een samenraapsel is van vele aspecten, zal ik een poging doen dit vak nader toe te
lichten (zoals ik ook een poging heb gedaan dit vak serieus te volgen).

De letterlijke betekenis van Teelt is iets voortbrengen, of in het
leven roepen. Het moge duidelijk zijn dat er dus aandacht is
besteed aan foksystemen en de hier uit voortkomende
(schadelijke) raskenmerken en erfelijke afwijkingen. Om de
raskenmerken en erfelijke ziekten te kunnen benoemen is het,
volgens onze syllabus, natuurlijk noodzakelijk enige kennis
(rasgroep, subgroep, land van herkomst, gebruik, kenmerk,
schofthoogte, gewicht, vachttype, haartype, haarlengte, vachtkleur,
vachtkleurpatroon, gedrag, ziekte en bijzonderheden) van de
meeste voorkomende paarden-, honden- en kattenrassen te hebben.
Dit is natuurlijk van groot belang voor later in de praktijk, ware het
niet dat de meeste van de meest voorkomende hondenrassen
helemaal niet als meeste voorkomen en dat de meeste
voorkomende hondenrassen niet in onze lijst met meest
voorkomende hondenrassen stonden. Snap je? Zo heb ik menig
student moeten vertellen wat een Cairn Terriër en een Kooikerhondje
zijn. Nota bene stond verder op in onze syllabus dat de
Kooikerhonden populatie uitzonderlijk klein was en dat
verwantschapsteelt dus onvermijdelijk is. Hoe kan hij dan in de meest
voorkomende hondenrassen lijst staan? Daarentegen vroeg menig
student zich af waarom de alom bekende Duiste Herder en de
West Highland White Terriër (om maar een paar voorbeelden te
noemen) niet in onze lijst waren opgenomen.


Teelt, héél veel plezier...........
Cha’ris komt door het
raam naar binnen
Laeta in een erg
actieve (?) bui
Naast de erfelijke afwijkingen bestaan er ook nog de schadelijke raskenmerken, zoals de open fontanel van de
Chihuahua of de bekende ademhalingsproblemen bij de Bulldog en de Perzische kat. Deze zijn een gevolg van
de fokdoelen, neergelegd in de rasstandaard van de betreffende rassen. De bestrijding kan dus eenvoudigweg
worden gerealiseerd door de rasstandaard te veranderen en door kampioenen te kiezen zonder schadelijke
raskenmerken. Helaas valt dit schijnbaar slecht te realiseren omdat het modebeeld schijnbaar toch nét iets
belangrijker schijnt te zijn…
Naast al deze theorie hebben we bij dit vak ook twee practica gehad. Het eerste practicum ging over paarden;
kleuren, aftekeningen, bouw en beengebreken. Een erg leuk en leerzaam practicum ware het niet dat we twee
uur buiten in de stromende regen hebben gestaan. Dit kon namelijk niet in de hal, welke in open verbinding staat
met ‘de buitenwereld’, want daar was het te donker. Buiten was het echter net zo donker door de grote zwarte
regenwolken boven onze hoofden. Tijdens mijn tweede schrijfpoging zag ik de inkt van mijn inmiddels
gescheurde en doorweekte papier lopen en bleef er van mijn woord niet veel meer over dan een blauwe vlek.
Tegelijkertijd zag mijn altijd zo trouwe pen het ook niet meer zitten dus besloot ik maar gewoon te luisteren en te
hopen dat het ophield met regenen. Na twee uur begon ook de jas van onze docent water door te laten.
Dit bracht hem op het geweldige en originele idee om toch maar binnen te gaan staan want daar konden we
het volgens hem ook wel zien. Zucht. Na wat discussies over het schatten van de leeftijd van het paard aan de
hand van zijn gebit, eindigde ook deze leerzame dag om half zes.
Het tweede practicum ging over duiven. Het dragen van onze witte jas was hierbij tot mijn grote vreugde verplicht:
hoe meer ik mijn kleren kon bedekken, des te kleiner de kans dat mijn kleren onder gepoept zouden worden.
Dacht ik.. Na allemaal onze ‘eigen’ duif uit zijn tijdelijke woonruimte te pakken en deze op de juiste manier te
hanteren, probeerde ik mijn armen toch enigszins voor me uit te houden zodat ook mijn schoenen poepvrij
zouden blijven. De docent begon zijn uitgebreide verhaal over verschillende kleuren en de bijzondere genetische
achtergrond van de duif: een duivin is namelijk ZW (bij vrouwelijk zoogdier is dit XX) en een doffer is ZZ
(bij mannelijk zoogdier is dit XY). Tevens wordt het geslacht bij vogels afgeleid door de verhouding tussen het
aantal Z-chromosomen en het aantal autosomen (normaal 2 want een vogel is diploïd) te bepalen. Als deze
verhouding 1 is, is het een mannetje en als de verhouding 0,5 is, is het een vrouwtje. Intersexen hebben een
verhouding tussen de 1 en de 0,5. Verder kwamen er in zijn verhaal wat leuke woorden voor ‘Galgje’ voor
waarmee ik ongetwijfeld mijn slag zou kunnen slaan als ik weer een keer voor dit spel zou worden uitgedaagd.
De beste die ik op heb geschreven was:
nonphaeomelanine-melanine-schizochroisme
Na dit praatje van driekwartier (en 2 krampachtige armen) moesten we bedenken wat de kleur van onze duif was.
Deze vraag was voor mij niet zo moeilijk want mijn duif was helemaal wit met slechts enkele hele kleine grijze
vlekken op zijn staart- en broekpennen. Zijn ogen waren niet rood en zijn weke delen gepigmenteerd dus een
albino kon het niet zijn. Ik gokte op een partieel leucistische duif vanwege de grijze vlekjes. Nadat de docent
enkele andere leerlingen had uitgehoord was ik aan de beurt. Hij vroeg mij welke kleur mijn duif was, waarop ik
antwoordde dat hij wit was. Hierop fronste hij zijn wenkbrauwen, kreunde en vroeg hij of ik dit wel zeker wist.
Omdat ik toch zeker mijn lenzen in had, zei ik toch echt zeker te weten dat hij wit was. De wenkbrauwen van de
docent naderden bijna een hoek van 90 graden en als ik niet snel een zinnig antwoord gaf, zou het lokaal
spoedig gevuld zijn met hete stoom afkomstig uit zijn oren. Zo intelligent mogelijk probeerde ik mijn
leucistsche theorie, die ik best goed bedacht vond voor iemand met een duivenkennis van nul, uit te leggen aan
de docent. Na een diepe kreun en een binnensmonds geluidje besloot hij, omdat ook de rest van mijn groep
geen idee had, het zelf maar te vertellen. Het was een heterozygote rode doffer met een dubbele Grizzle
(schimmel) factor, of wel:
Z Z Z Z
BA // B+ en G // G
Omdat hij heterozygoot is en dus ook het allel voor blauw bevat (B+), wordt de duif niet helemaal wit door de
schimmel factor maar blijven er grijze vlekjes achter. Natuurlijk! Waarom was ik daar toch niet op gekomen??!!
Terwijl de docent dit aan het vertellen was, kwam ik er achter dat mijn duif zo juist op de grond had gepoept.
Mijn net iets te lange broekspijp hing precies in de poep en had deze uitgesmeerd over de vloer. Niet zo erg tot
dat bleek dat hij niet alleen op de grond had gepoept maar ook mijn vingers. Hier kwam ik natuurlijk pas achter
toen ik mijn witte jas al uit had. Achteraf gezien was dus alleen mijn witte jas nog schoon.
Omdat ook de meeste werkcolleges van het vak Teelt op de computer waren, was het toch wel een erg relaxed
vak. Je kan tussen door gewoon even je mail checken en surfen op het internet. Ideaal. Tot zo ver mijn
beschrijving van het hilarische vak Teelt.
Groetjes Karen
Teelt, héél veel papier…